Phu Quoc heeft een tropisch moessonklimaat. Het grootste deel van het jaar is het er warm en vochtig, met een regenseizoen dat het eiland frisgroen maakt en de lucht zwaar van geur. Ooit was dit vooral een rustig vissersgebied, bekend om zijn peperplantages en de productie van nuoc-mam, de beroemde Vietnamese vissaus. De geschiedenis van het eiland is complex: het lag eeuwenlang op de grens van invloedssferen tussen Vietnam en Cambodja en kende in de vorige eeuw zelfs een beruchte gevangenis tijdens de Vietnamoorlog. Dat alles geeft Phu Quoc een achtergrond die veel dieper gaat dan de recente toeristische ontwikkeling doet vermoeden.
Want die ontwikkeling is overal zichtbaar. Langs de wegen liggen bergen afval, en tussen de palmbomen staan onafgebouwde hotels als stille monumenten van grootse plannen. Op sommige plekken dobbert plastic in zee. Het contrast tussen natuur en vooruitgang is hier niet subtiel, maar rauw en direct.
Toch blijft de droom van het paradijs hardnekkig bestaan. Op iconische uitzichtpunten poseren influencers in zorgvuldig gekozen outfits, wachtend op dat ene perfecte moment. De ene foto lokt de volgende bezoeker. De folders blijven glanzen, met knallende kleuren en uitnodigende teksten die een eiland beloven dat misschien ooit echt zo was — en dat in kleine stukjes nog steeds zo kan zijn.
In het zuiden ligt An Thoi, een stad die bijna aanvoelt als een filmdecor. Gebouwd in een stijl die ergens zweeft tussen Hollywood en een romantische interpretatie van de Griekse Acropolis. Pastelkleurige gevels, pleinen, trappen en bogen — maar achter veel ramen brandt geen licht. De opgeleverde appartementen staan grotendeels leeg. Op het nabijgelegen “paradijseiland” An Thom zwaaien de bouwkranen onverstoorbaar heen en weer. Een lange kabelbaan, een van de langste ter wereld, brengt bezoekers over zee naar een groot aquapark waar de hele dag entertainment wordt geboden. Het voelt als een wereld op zichzelf, los van het eiland dat er ooit was.
Toch is er nog iets van het oude Phu Quoc te vinden. In Duong Dong, de hoofdstad van het eiland, hangt in de smalle straatjes en bij de visrestaurants nog een vleugje van de oorspronkelijke sfeer. Hier komen vissers nog steeds ’s ochtends vroeg aan land met hun vangst en eet je vis die rechtstreeks uit zee op je bord belandt.
Ik at er voor het eerst Grouper, een stevige diepzeebaars die qua smaak verrassend dicht in de buurt komt van kreeft. Geserveerd met een Vietnamese Sauvignon Blanc die mooi het midden hout tussen een Australische en een Amerikaanse variant. Voor de kenner: hij stuift niet, maar hij past perfect bij de vis.
De mensen op het eiland zijn vriendelijk en rustig, met die typisch Vietnamese combinatie van bedrijvigheid en ontspannenheid. In de kleine tempels branden wierookstokjes en brengen families offers voor geluk en bescherming, terwijl buiten het leven gewoon doorgaat.
Na mijn eerste kennismaking met Vietnam een jaar geleden, in Da Nang en An Hoi, voelt Phu Quoc toch als een lichte teleurstelling. Misschien omdat de verwachtingen zo hoog waren. Misschien omdat het eiland nog zoekt naar een balans tussen verleden en toekomst, tussen paradijs en projectontwikkeling.













